Egypte/Theologie

Psalm 23: woestijn, zalfolie en tegenpartijders

Psalm 23 Stuttgarter Psalter (2)

Psalm 23:5 luidt in de Statenvertaling:

Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht
tegenover mijn tegenpartijders;
Gij maakt mijn hoofd vet met olie,
mijn beker is overvloeiende.

De bekende dominee-dichter Jan Jacob Lodewijk ten Kate (1819–1889) heeft in zijn overbekende psalmlied “De Heer is mijn Herder” dit vers verdicht tot:

De Heer is mijn Herder!
In ’t hart der woestijn
verkwikken en laven
zijn hemelse gaven;
Hij wil mij versterken
met brood en met wijn.

In ’t hart der woestijn

Dat “In ’t hart der woestijn” kan op het eerste gezicht wat gezocht overkomen: in de psalm zelf wordt de woestijn niet bij name genoemd. Is het slechts een stoplap? Had Ten Kate enkel een woordje nodig dat rijmt op wijn? Wreekt zich hier zijn door de Tachtigers zozeer gekritiseerde tendens tot rijmelarij? Of is het juist een gouden greep?

Het past bij wat Ten Kate in zijn eerste strofe dichtte: “Hij zal mij geleiden, naar grazige weiden.” Naar de grazige weiden ben je met de Herder onderweg, maar tussentijds zijn er ook dorre plaatsen. In een Hollands polderlandschap waar het gras altijd groen is, lijken schapen zichzelf wel te kunnen redden, maar in het zoveel woestere Bijbelse landschap hebben ze een herder nodig die weet waar het gras groeit. Telkens gaat het door de woestijn heen.

Doch er is meer. In de joodse traditie (o.a. de Psalmenmidrasj) wordt Psalm 23 gelezen als een terugblik op de tocht door de woestijn van Egypte naar het beloofde land. En juist vers 5 geeft daar een aanleiding toe: “Gij richt mijn tafel toe” is te lezen als een antwoord op de spottende vraag van het volk in de woestijn: “Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?” (Psalm 78:19), waarop God het manna gaf, “hemels koren” (Psalm 78:24).

Ten Kate noemt de tafel en de beker uit vers 5 niet expliciet, maar beschrijft wat er op tafel staat en in de beker zit: hemelse gaven, brood en wijn. Daarmee is de tafel in de woestijn een avondmaalstafel geworden en is het hemelse brood niet slechts manna maar het “Brood des levens” – Christus zelf die uit de hemel is neergedaald (Johannes 6:31–35).

Christelijke lezers dachten bij het “De Heer (HEERE) is mijn Herder” in vers 1 ongetwijfeld ‘stiekem’ al aan Christus als de goede Herder (Johannes 10:11). En nu in vers 5 blijkt, zeker door de bewerking van Ten Kate, dat deze goede Herder niet alleen tevens Gastheer is, maar ook zichzelf als het Brood des levens op tafel zet – “Neemt, eet, dit is mijn lichaam.” Denkt men daarover door dan ziet men de Herder die zijn leven heeft gesteld en afgelegd voor zijn schapen (Johannes 10:15, 17).

Gij zalft mijn hoofd

Bij alle goede gedachten die Ten Kates verdichting van vers 5 zo oproept, moet wel worden opgemerkt dat er ook twee zaken bij hem verloren zijn gegaan: “tegenover mijn tegenpartijders” en “Gij maakt mijn hoofd vet met olie.”

Eerst iets over dat laatste. In de Herziene Statenvertaling en de Nieuwe Bijbelvertaling is dit “Gij/U zalft mijn hoofd met olie” geworden. Heel direct messiaans is dit in het Hebreeuws niet: er wordt voor zalven hier niet het werkwoord mšḥ gebruikt, waarvan het woord Messias is afgeleid. Toch doet die olie in combinatie met Davids naam boven de psalm wel eraan denken dat in deze psalm de gezalfde des Heeren spreekt.

Wil men Christus in deze psalm vinden, dan moet men Hem niet zo overhaast in de Herder zien alsof daarmee dan ook alles gezegd is. Misschien is Hij ook te vinden in de ik-figuur, het sprekende schaap of, zo men wil, het Lam Gods. Lezend in het mooie boekje Pastorale van Niek Schuman viel het mij op dat juist in de vroegste christelijke uitleg deze identificatie van de ik-figuur met Christus geïmpliceerd lijkt, in elk geval wat betreft vers 4: Christus is door het dal van schaduw van de dood (opgevat als het dodenrijk) heengegaan. Uiteraard hoeft men daarbij niet tegen elkaar uit te spelen dat Hij die weg zowel als geslacht Lam als ook als zichzelf gevende Herder is gegaan.

Het “Gij zijt bij mij” in het hart van de psalm (vers 4) krijgt zo een extra dimensie. In Psalm 23 kun je er misschien een verwijzing in zien naar de betekenis van de naam HEERE (YHWH) die aan het begin en het eind van de psalm staat. Maar sinds Psalm 23 op Psalm 22 volgt, is “Gij zijt bij mij” ook de tegenhanger van het “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” van Psalm 22:2 – de woorden die Christus volgens Marcus en Matteüs aan het kruis sprak. Voor Christus was het “Gij zijt bij mij” geen voortdurende ervaring. Maar omdat Hij zelf door het diepdonkere dal van de godverlatenheid is gegaan, geldt nu voor zijn volgelingen juist in die duisterste ervaring het “Gij zijt bij mij.”

Merkwaardigerwijs ontbrak bij Ten Kate in “De Heer is mijn herder” een verdichting van juist deze kernwoorden van de psalm, “Gij zijt bij mij.” Tegenwoordig staat in de derde strofe van zijn lied wel “Al dreigt ook het graf, geen kwaad zal ik vrezen, Gij zult bij mij wezen,” maar dat is een latere wijziging. Zelf dichtte Ten Kate: “Al dreigt ook het graf met grimmende kaken, geen kwaad zal mij naken.” Uiteraard mag men daaruit niet te veel concluderen, alsof het “Gij zijt bij mij” Ten Kate niets deed. In een ander gezang, “Als God, mijn God, maar voor mij is,” heeft hij deze woorden juist wel verwerkt. De tweede strofe van dat lied is ook gebaseerd op psalm 23 en zegt onder andere: “Hij blijft mij overal nabij.”

Tegenover mijn tegenpartijders

Tot slot echter nog een blik op die andere woorden die Ten Kate heeft weggelaten uit vers 5: “Tegenover mijn tegenpartijders.” Misschien zijn er lezers van deze blog die heimelijk blij zijn dat Ten Kate ze heeft weggelaten. Ook al mag je het misschien niet hardop zeggen van een geïnspireerde bijbeltekst, maar ontsieren die tegenpartijders niet een beetje deze prachtige psalm? Gaat het om een primitief trekje in een overigens hoogstaand lied? Bij Ten Kate moeten we er misschien niet meer achter zoeken dan dat zijn vers al vol zat – in een andere versie van Psalm 23, opgenomen in zijn Godsdienstige Poëzy, noemt hij de vijanden gewoon wel. En misschien zaten ze voor hem in “De Heer is mijn herder” al inbegrepen in de – zoals gezegd later aangepaste – “grimmende kaken” van de derde strofe.

Tegelijk zijn er door de loop der tijden zeker meer bewerkingen van Psalm 23 aan te wijzen waarin de tegenpartijders het moesten ontgelden in die zin dat ze werden weggelaten, mijns inziens met het gevaar dat Psalm 23 te liefelijk wordt en buiten de werkelijkheid komt te staan.

Nu maakt het wel enig verschil hoe je “tegenover mijn tegenpartijders” opvat. Is het zoiets als: “Voor mij richt Gij de tafel toe, terwijl mijn vijanden het nakijken hebben, lekker puh”? Of is het veel meer: “Ook al zijn mijn vijanden er voortdurend, toch richt U de tafel voor mij toe”?

En wie zijn eigenlijk die tegenstanders of vijanden die zo vaak voorkomen in de psalmen? Je kunt denken aan de Boze, of aan de driekoppige vijand van de wereld, de duivel en je eigen vlees, of aan twijfel en onzekerheid, maar men moet toch ook gewone fysieke tegenstanders niet vergeten.

Soms kun je het gevoel krijgen dat de psalmisten wel heel erg veel vijanden hebben. Ik leef zelf helemaal niet in zulke diepe onmin met zoveel mensen, kun je dan hopelijk denken. Maar misschien is dat te individualistisch gedacht. De bekende oudtestamenticus Herman Gunkel, die het persoonlijke karakter van Psalm 23 erg waardeerde, merkte desondanks terecht op: herders hadden gewoonlijk meer dan één schaap. Psalm 23 laat zeker iets zien van Gods persoonlijke zorg voor de enkeling. En Jezus vertelt zelfs een gelijkenis van een herder die 99 schapen achterlaat om dat ene verloren schaap te gaan zoeken. Maar tegelijk zagen we al dat de psalm ook te lezen is als het verhaal van de tocht van het volk door de woestijn naar het beloofde land of van de terugkeer van het volk uit ballingschap. Johannes Cocceius  (1603–1669) hoorde in deze psalm de nieuwtestamentische kerk aan het woord. Als we het “ik” collectief opvatten, als de stem van het volk, wordt de aanwezigheid van de vijanden begrijpelijker. Of we het nu willen of niet, Gods volk, de kerk, heeft vijanden.

Hier in Egypte kunnen we psalm 23 niet meer zingen om ons mee te laten voeren naar een liefelijke droomwereld. Telkens zijn we afgelopen jaar opgeschrikt door dodelijk geweld in en rond kerken. “Gij richt voor mij de tafel toe” – dat gebeurt niet buiten de werkelijkheid, maar hier en nu, na de zoveelste aanslag en met de volgende ongetwijfeld in het verschiet, “tegenover mijn tegenpartijders.” “Gij zijt bij mij” – moge dat dit nieuwe jaar waar zijn, niet alleen zolang er geen vijanden te zien zijn, maar ook juist dan als ze er wel zijn en hun grimmende kaken weer tonen.

Afbeelding: Psalm 23 in het Stuttgarter Psalter. De afbeelding staat bij vers 4 en verbeeldt de gang door het dal van de schaduw van de dood. Opvallend is dat er geen schaap bij de herder is afgebeeld. Wil de afbeelding zeggen dat Christus in zijn gang door de dood zelf zowel de herder als de (eerste) “ik” (het schaap/lam) van de psalm is? (Vergelijk Schumans bespreking van deze afbeelding in Pastorale.)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s