Theologie

Staatsgrepen en het bloed van Jizreël

Het woord coup klinkt niet goed. Bij een staatsgreep of, iets vriendelijker geformuleerd, machtsovername komt de vraag op: is dit niet tegen de spelregels van de democratie waar wij uiteindelijk allen wel bij varen? En hoewel de christelijke ethiek een zekere ruimte biedt aan een lagere overheid om in opstand te komen en het volk te verlossen van een despoot, voelt men al snel een spanning tussen een machtsgreep en de oproep van Romeinen 13 om onderworpen te zijn aan de gezagsdragers “want er is geen gezag dan van God, en de gezagsdragers die er zijn, zijn door God ingesteld” (Rom. 13:1 HSV).

Niettemin vertelt de Bijbel juist ook met klaarblijkelijke instemming over twee staatsgrepen: in 2 Koningen 11 wordt verhaald hoe de godvruchtige priester Jojada de boze koningin Athalia van de troon stoot en laat doden en de jonge Joas koning maakt in haar plaats. 2 Koningen 9 verhaalt hoe de profeet Eliza een jongeman naar generaal Jehu stuurt om hem tot koning te zalven en te zeggen:

Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ik heb u gezalfd tot koning over het volk van de HEERE, over Israël. En u zult het huis van Achab, uw heer, doden, opdat Ik het bloed van Mijn dienaren, de profeten, en het bloed van alle dienaren van de HEERE op Izebel zal wreken. Het hele huis van Achab zal omkomen. Ik zal van Achab alle mannen uitroeien, zowel de gebondene als de vrije in Israël. (…) Ook zullen de honden Izebel eten op het stuk land van Jizreël, en er zal niemand zijn die haar begraaft. (2 Kon. 9: 6–8, 10 HSV)

Jehu aanvaardt zijn koningschap en vervult deze opdracht en doodt bovendien alle profeten, dienaren en priesters van de Baäl (2 Kon. 10). De beoordeling van Jehu in het boek Koningen is uiteindelijk gemengd: enerzijds wordt hij uitdrukkelijk geprezen voor zijn daden:

De HEERE zei tegen Jehu: Omdat u goed gehandeld hebt, door te doen wat juist is in Mijn ogen, en met het huis van Achab gedaan hebt overeenkomstig alles wat in Mijn hart was, zullen uw zonen tot het vierde geslacht op de troon van Israël zitten. (2 Kon. 10:30 HSV)

Anderzijds wordt er toch ook een kritische noot bij zijn leven geplaatst: “Jehu wandelde niet nauwlettend en met heel zijn hart in de wet van de HEERE, de God van Israël; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, die Israël deed zondigen” (2 Kon. 10:31). Dat laatste wil zeggen: hij hield vast aan de eredienst bij de gouden kalveren in Dan en Bethel. Dat hij misschien bloedschuld op zich heeft geladen door al te veel mensen te vermoorden bij zijn machtsovername—dat leest men hier niet.

Echter, in Hosea 1:4 zegt de HEERE tegen de profeet Hosea: “Ik zal de bloedschulden van Jizreël vergelden aan het huis van Jehu, en Ik zal het koningschap van het huis van Israël wegdoen.” Volgens verschillende verklaarders kan dit vers moeilijk anders dan duiden op het vele bloed dat Jehu liet vloeien rond zijn staatsgreep—ook al verlostte hij Israël daarmee van een bewind en bijbehorende religieuze praktijk die evenmin Hosea’s goedkeuring genoten.

One thought on “Staatsgrepen en het bloed van Jizreël

  1. Pingback: De zwartste dag | Willem-Jan de Wit

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s