Egypte

Opper-Egyptische zomer

P1140402

18 december 2012. Voor wie deze koude winterdagen terugverlangt naar de warme zomers van weleer biedt onderstaand artikel (een bundeling van blogposts) wellicht uitkomst: het neemt u mee naar de zomerzon van het Egyptische Nijldal, naar oorden waar buitenlanders zelden komen, naar duistere zaken, naar tekenen van licht.

1.  Verloving in het Nijldaldorp

Het station

Vrijdag 5 augustus 2011, drie uur ’s middags. Het is veertig graden op station Mallawi en er is geen mens te bekennen. De trein uit Cairo is inmiddels doorgereden naar het zuiden en de uitstappers hebben het perron meteen verlaten. Alleen ik sta hier nog eenzaam. Eerder deze week schreef ik enthousiast op mijn weblog:

Afgelopen maandag is oom Adli, de oudste “werker” op ons seminarie, voor mij naar het station geweest om een treinkaartje te kopen voor omgerekend € 3,50. Hiermee mag ik vrijdag van Cairo bijna driehonderd kilometer naar het zuiden reizen, naar de stad Mallawi in de provincie Minya. Voor dit geld zit ik in de aircocoupé, maar heb ik wel alleen een enkele reis.

’s Avonds hoop ik het verlovingsfeest van één van onze studenten bij te wonen in een dorp ten oosten van de Nijl. Zelfs op mijn meest gedetailleerde kaart van Egypte is dit dorp niet te vinden. De student in kwestie heeft me verteld dat er een brug is zodat ik niet in een wankel bootje de Nijl over hoef, maar een lijndienstbus rijdt er zeker niet naar het dorp en hoe ik er dan wel kom, weet ik nog niet. Echter, de cultuur kennende mag ik er blind op vertrouwen dat vervoer vanaf het station voor mij wordt geregeld.

Er klopt iets niets, schiet het door me heen. De broer van de student die vandaag verlooft, zal me ophalen maar is vertraagd. Dat kan gebeuren, maar ik behoor hier niet alleen op te zijn. Voor de revolutie zou er nu een politieagent naast mij hebben gestaan om mij te vragen wat ik hier te zoeken heb en naar wie ik op weg ben en om straks de broer een preek te geven dat hij me niet alleen op het station had mogen laten wachten. Als het tegenzat, zou de politie mij als buitenlander van stap tot stap willen begeleiden totdat ik weer veilig in een trein naar Cairo zat. Vervelend zou dat zijn en volstrekt overbodig, want nergens zijn de mensen vriendelijker dan in dit deel van het Nijldal. Maar nu is het na de revolutie en de politie is onzichtbaar geworden.

Ik besluit de tijd te doden in het stationskoffiehuis. Vanwege de ramadan heb ik in de trein mijn tas een keer meegenomen naar het toilet en daar uit mijn waterflesje gedronken, maar verder heb ik voor het oog van de mensen gevast. In het koffiehuis zit iemand te roken. Normaal zou ik daarom naar buiten vluchten, maar nu geeft het een gerust gevoel: zonder aanstoot te geven kan ik hier een flesje fris bestellen en leegdrinken. Wanneer ik om iets eetbaars vraag, wordt dat ook voor mij gehaald.

Mijn gedachten blikken vooruit. Vanavond na de verloving hoop ik een dorp verderop te overnachten bij de dominee aldaar. De zondag over hoop ik bij een andere predikant te zijn in een dorp ten noordwesten van Mallawi. De rest van mijn reis is nog open. Op mijn weblog heb ik geschreven:

Vanaf maandag wordt het spannend. Ik heb anderhalve uitnodiging om de zondag erop in twee dorpen zo’n honderd kilometer ten zuiden van Mallawi te zijn. In die omgeving zijn veel protestantse kerken waar onze oudstudenten dienen en onze studenten een zomerstage lopen. Hoe en waar ik de tijd tussen de twee zondagen door zal brengen, weet ik nog niet. Een van de studenten heeft me verzekerd dat ik voor maandag geen kaartje terug naar Cairo hoef te reserveren. Hij zal met enkele vrienden het verlovingsfeest bijwonen en dan zullen ze een Opperegyptisch weekprogramma voor mij samenstellen.

Vanmorgen had ik deze student aan de telefoon en hij vertelde me dat hij ziek is en vanavond niet komt—een andere student van wie ik een vage uitnodiging voor woensdag heb, zal ook niet komen. Ik sta in tweestrijd: ik ben aan deze reis begonnen om dieper door te dringen in de cultuur, wijsheid en vroomheid der Opper-Egyptenaren, maar zonder de gastvrijheid van vrienden kom ik nergens. Zal ik zekerheidshalve toch maar vast een kaartje voor Cairo reserveren? Anders moet ik maandag misschien zonder zitplaats vier à vijf uur staan vasten in de trein.

De broer van de bruidegom in spé schrikt mij op uit mijn gepeins. Hij draagt een galabia evenals de neef die hem vergezelt. Ze pakken mijn tassen en lopen met mij het station uit, het echte Opper-Egypte tegemoet.

De brug

P1130966_thumb4

Kwart over drie. Op weg naar het dorp ten oosten van de Nijl begrijp ik waarom onze student speciaal vermeld heeft dat er een brug is en ik niet met een pontje hoef over te steken. De brug is nog gloednieuw en het is een kolossale constructie die zowel het Ibrahimkanaal als de rivier de Nijl oversteekt. De weg over de brug krijgt gescheiden rijbanen met klaverbladachtige op- en afritten. Op dit moment is echter pas één weghelft af die daarom voorlopig wordt gebruikt voor tweerichtingsverkeer, variërend van ezels tot vrachtwagens tot snelle microbusjes. Een scherpe afritlus is nu tevens oprit en ik vraag me af of de eerste frontale botsing daar al heeft plaatsgevonden. Het verkeer op de brug is echter zo rustig dat het bouwwerk megalomaan aanvoelt. Maar misschien heeft over twintig jaar iedereen in Opper-Egypte een auto en is de bevolking dan met nog eens twintig procent gegroeid en is men voor immer dankbaar dat de brug op de groei is gebouwd.

P1130964_thumb2

Voorheen was het gebied hier aan de oostkant van de Nijl redelijk afgesloten: het lag ingeklemd tussen water en woestijn. Een reis naar de stad stemde men af op de tijden van het pontje. Hoewel een auto meekon op de boot, was het voor de gewone man goedkoper om zich af te laten zetten bij het pontje en dan aan de andere kant van het water mee te rijden met een microbusje of pick-up. Wie de trein naar Cairo wilde halen, moest voor de zekerheid al vroeg van tevoren van huis gaan.

De brug betekent een keus voor het moderne gemak van snelle verbindingen ten koste van de traditionele levensrust van Opper-Egypte. Hij verandert ook het alledaagse dorpsleven. Door de geïsoleerde ligging van de dorpen ten oosten van de Nijl konden koeien en buffels en ezels daar ’s nachts gewoon op straat tussen de huizen staan. Veedieven waren kansloos: binnen de gemeenschap was gestolen vee onverkoopbaar en voor vervoer naar elders was men afhankelijk van het pontje, maar de pontbaas zou een verdacht vrachtje nooit overzetten. Nu is veediefstal simpel geworden: je plukt de beesten van de straat, zet ze op een vrachtwagen, rijdt de brug over en er is geen haan meer die er naar kraait. De bevolking zal nachtwachten in moeten voeren of inpandige stallen moeten bouwen. De vertrouwde veiligheid van vroeger is verdwenen.

P1130749_thumb3

De bovenkamer

Half vier. Aangekomen bij het ouderlijk huis brengt de broer mij meteen naar de bovenkamer op het dak, alwaar ik word verwelkomd door een emeritus-predikant en enkele (oud-)studenten die van de Fayoum tot Sohag (d.w.z. half Opper-Egypte) zijn gekomen om de verloving van hun studiegenoot bij te wonen.

De emerituspredikant heeft elders gediend maar is teruggekomen naar zijn geboortegrond om de integrale dorpsontwikkeling te bevorderen. Zijn droom is dat er in elke provincie of kerkelijke classis een modeldorp ontstaat waarin alle aspecten van het dorpsleven en de dorpscultuur worden ontwikkeld en dat deze dorpen dan weer uitstraling zullen hebben op heel Opper-Egypte. Het klinkt boeiend, hoewel het mij in onze korte ontmoeting niet duidelijk wordt waar hij concreet op insteekt en hoe zijn streven zich verhoudt tot ander ontwikkelingswerk en kerkelijk opbouwwerk in Opper-Egypte.

Hij blijkt ook enige tijd parttime docent dogmatiek aan ons seminarie te zijn geweest. Wanneer ik vertel dat een Egyptische collega van mij nu bezig is met een proefschrift over de verzoeningsleer en dat onderwerp doceert in de predikantsopleiding, zegt hij dat hij zelf bewust colleges pneumatologie en eschatologie heeft gegeven: Egyptische protestantse christenen maken van de verzoeningsleer geen probleem maar zitten vol vragen over het werk van de Heilige Geest en de leer der laatste dingen. De presbyteriaanse kerk, waar ons seminarie toe behoort, volgt in deze zaken de hoofdstroom van de gereformeerde traditie, terwijl bijvoorbeeld de “broeders” (de Vergadering van Gelovigen) een letterlijke opvatting van het duizendjarig rijk voorstaan en de “charismatischen” (de apostolische kerken en pinkstergemeenten) openstaan voor het spreken in tongen.

Omdat er nogal wat kerkelijk grensverkeer is en de christelijke satelietkanalen elke opvatting bij ieder in huis brengen, kan ik me de verwarring en de behoefte aan oriëntatie op deze punten goed voorstellen. Ik maak deze reis ook om te ontdekken hoe ik mijn colleges nog relevanter kan maken voor christenen in de context van Egypte. Wat dat betreft neem ik de adviezen van deze predikant graag ter harte. Tegelijk wil ik studenten het besef bijbrengen dat theologie zoveel meer is dan de mand binnenprotestantse twistappels die men meestal van huis uit al kent.

P1130366_thumb1

Het theologisch gesprek wordt onderbroken door de vraag of we onze handen willen wassen. Dit betekent dat ons die van verre zijn gekomen een lunch zal worden voorgezet en het antwoord op de vraag is automatisch “ja.” Nu is er in de bovenkamer geen stromend water en daarom worden buiten op het dak een emmer een kan en een schaal neergezet en gieten wij elkaar het water over de handen.

P1130364_thumb2

De lunch bestaat uit rijst, vlees en salade, maar de trots is het brood. In heel Egypte kent men het standaard boerenbrood dat plat en rond is met een doorsnee van 15-25 cm en een dikte van 1 cm. Tijdens het bakken is het van binnen gevuld met lucht zodat het uit twee laagjes bestaat van elk een halve centimeter. Voor consumptie wordt het brood doorgesneden tot twee halve rondjes die vanwege de dubbellaagsstructuur een soort zakjes vormen en die worden gevuld met bonen, salade of wat dan ook tot een geheel dat sandwich wordt genoemd. In Opper-Egypte kent men echter nog twee broodsoorten. Beroemd is het zonnebrood: dat heeft een doorsnee van 30-35 cm en is 4-5 cm dik, wordt in hompen gegeten die eventueel in soep of saus worden gedoopt, en ontleent zijn naam aan zijn uiterlijke gelijkenis met de zonneschijf, die in het Oude Egypte werd vereerd als god. Het toppunt van bakkunst is echter het wagenwielvormige brood dat een doorsnee van zeker 60 cm heeft en niet meer dan 0,3 cm dik mag zijn. Men scheurt er een stuk af dat men vervolgens verder verscheurt tot kleine stukjes waarmee men bijvoorbeeld wat groente beetpakt om brood en groente samen op te eten. Het is deze laatste broodsoort die wij vandaag voorgezet krijgen.

Een student vraagt mij of ik wel eens eerder zulk groot brood gegeten heb. Helaas voor hem is mijn antwoord “ja”—ik ben nu eenmaal niet voor het eerst in het Nijldal. Niettemin zet ik dit brood graag nog eens met hem op de foto.

P1130358_thumb2

Ter kerke

Kwart voor vijf. De studenten verschillen van mening over de vraag of de verlovingsplechtigheid in de kerk om vijf uur of om zes uur zal beginnen. De jongeman om wie alles draait, is zelf nergens te bekennen en daarom kiezen we voor het compromis: twaalf voor vijf lopen we de deur uit van het ouderlijk huis zodat we twaalf over vijf het bedehuis binnen kunnen treden. Onze weg loopt langs de rand van het dorp en alleen een begraafplaats scheidt ons nog van de woestijn.

P1130373_thumb3

P1130408_thumb6

Eenmaal aangekomen bij de kerk blijkt dat we ruim drie kwartier te vroeg zijn en heb ik alle tijd om eens rustig rond te kijken. Het kerkgebouw is nog vrij nieuw en valt op door de hoge toren. Naast de kerk is volop ruimte om in de toekomst een zalengebouw neer te zetten. De predikant blijk ik nog te kennen uit zijn studententijd en neemt mij even mee naar de pastorie. Ik begrijp dat ik hier in één van de weinige dorpen in Opper-Egypte ben waar twee presbyteriaanse kerken zijn. In een ander dorp is de reden van de aanwezigheid van twee kerken van dezelfde protestantse kleur triest: vanwege een ruzie is de gemeente gesplitst. Om financiële redenen willen de twee kerken daar samen toch één predikant hebben, maar tot nu toe voelt niemand zich geroepen. Hier in dit dorp wijst de aanwezigheid van twee kerken op het grote aantal presbyteriaanse christenen. De dominee van de andere kerk komt even later aanlopen om de plechtigheid bij te wonen: de bruidegom in spé is immers ook een ambtsgenoot in spé.

P1130398_thumb2

Om de tijd te doden beklim ik de toren. De kruisvormige openingen geven aardige doorkijkjes. In de verte zijn hoog in de heuvels grotten te zien, naar verluid absoluut bezoekenswaardig en niet alleen voor pelgrims, maar helaas is er voor een holentocht nu geen tijd.

P1130414_thumb2

In dit dorp is iedereen christelijk en dat is te zien: vlakbij de presbyteriaanse kerk staat een Koptisch orthodoxe kerk en even verderop staat het gebouw weer een ander kerkverband.

P1130405_thumb2

Van binnen is de kerkzaal van de presbyteriaanse kerk redelijk vierkant, met achterin een galerij en voorin een volgens de Egyptische gasten te hoog podium met daarboven een reusachtige Christusafbeelding met geopende armen waarin de kruiswonden nog zichtbaar zijn. Normaal gesproken zal de kansel recht onder de afbeelding staan, zodat de persoon van de predikant in het niet valt, maar vandaag staat de bank voor het paar aan de voeten van de Christusfiguur.

P1130387_thumb3

P1130384_thumb7

Mijn aandacht wordt echter getrokken door een theologiestudent aan de zijkant van het podium met de bijnaam Sound. Hij dankt zijn bijnaam aan zijn vermogen geluidssystemen en mengpanelen te bedienen en ook aan zijn stemvolume waarmee hij zelf zonder techniek een grote kerk zou kunnen bepreken. Hoewel hij deze zomer honderden kilometers zuidwaarts stage loopt, is hij vanavond gekomen omdat de zanggroep uit zijn geboortedorp vanavond de liederen verzorgt en zijn ondersteuning onmisbaar is.

P1130380_thumb7

In de kerk zitten de vrienden van de bruidegom en de bruidsmeisjes (je zou vergeten dat het slechts om een verloving gaat) braaf te wachten, maar het paar laat zich nog niet zien.

P1130425_thumb2

P1130432_thumb2

Buiten wachten mannen in galabia’s. Ik vraag me af of de verschillende kleuren van de gewaden een betekenis hebben, maar men zegt mij dat dit niet zo is: je kiest gewoon de kleur die je mooi vindt.

P1130436_thumb2 P1130443_thumb3

De jongens dragen geen galabia’s maar Westerse kledij van Chinese makelij.

P1130444_thumb3

Dan, vijf voor half zeven, klinkt het: “Houd je camera in de aanslag want daar komen ze.”

P1130446_thumb4

De verloving

P1130481_thumb4

P1130452_thumb3Half zeven. Een christelijke Egyptische verloving is oneerbiedig gesproken een kerkdienst-light. Aan het eind wordt de zegen uitgesproken, de mannen en vrouwen zitten netjes gescheiden, de dominee draagt vanwege de bijzondere gelegenheid zijn toga, en koor en gemeente zingen christelijke lofgezangen, maar de preek is gereduceerd tot enkele korte toespraakjes. Wanneer de plechtigheid al is begonnen, wordt mij in stilte gevraagd of ik ook een woord wil zeggen, maar mij schiet zo snel geen toepasselijke wijze raad voor verloofden te binnen en daarom bedank ik vriendelijk. De overweldigende belangstelling van de dorpsjeugd bevestigt mij in mijn keuze: het is geen moment muisstil en een extra ingelaste toespraak zou de bijeenkomst alleen maar rekken en de onrust vergroten.

P1130479_thumb1

P1130459_thumb2

Het hoogtepunt van de bijeenkomst wordt gevormd door de ja-woorden, het ondertekenen van het verlovingscontract, de ringen en het tooien van de bruid met gouden sieraden. Het contract beschrijft onder andere de waarde van het goud en de regel dat als hij het uitmaakt het goud van haar blijft, terwijl als zij zelf de verloving verbreekt de bruidschat teruggaat naar hem.

P1130496_thumb3

P1130497_thumb3

Direct na de plechtigheid is er gelegenheid voor de eregasten (de predikanten, de bevriende theologiestudenten en de seminariedocent) gelegenheid om met het paar op de foto te gaan of zelf foto’s te schieten.

Eerlijk gezegd had ik de bijeenkomst inhoudelijker mee willen beleven, maar het weer speelde me parten. In een nieuwe of gerenoveerde kerk in Cairo word je menigmaal welhaast verjaagd door de koude lucht van de airco, maar in Opper-Egypte is dat nog een zeldzame luxe en is de lucht ’s zomers even warm als de lichaamstemperatuur. Onderstaande foto doet voorzichtig vermoeden dat de bruidegom zich ook graag van colbertje en das had ontdaan.

P1130503_thumb2

Het feest

P1130533_thumb1

Acht uur. De vader van de bruid heeft aan het eind van de plechtigheid in de kerk iedereen uitgenodigd om naar zijn nieuwe huis aan de rand van het dorp te komen om daar voor de deur het feest voort te zetten. De weg loopt deels over een donker nog onbebouwd terrein met zandheuvels, maar verdwalen is onmogelijk want de snoeiharde muziek verwelkomt ons van verre. De muziekgroep in de kerk heeft natuurlijk niet bij plechtige pijporgeltonen gezongen, maar dit is nog wel wat anders; niettemin geldt het ongetwijfeld als gepast feestelijk.

P1130537_thumb6 P1130544_thumb4

Over dansen wordt in presbyteriaanse kring verschillend gedacht en vanavond wordt voor een keurig compromis gekozen: het paar beweegt een paar minuten in het midden met een kring vrienden hand in hand eromheen. Het verlovingsfeest is af omdat er echt is gedanst maar wie even de andere kant op heeft gekeken kan zeggen dat er niets is voorgevallen behalve dat een oude tante voor de grap nog een dansbeweginkje maakte.

Naast de muziek en de dans verdient de drank vermelding. Egyptenaren kunnen zonder alcohol uitbundig vrolijk zijn en ook vanavond wordt enkel met flesjes fris de stemming erin gebracht. De aanwezigheid van bier en wijn zou een deel van de gasten waarschijnlijk in gewetensnood hebben gebracht: een mens behoort zijn geest niet te benevelen.

P1130559_thumb1

Wanneer het om negen uur tijd is om te vertrekken, omhelst de bruidegom zijn vrienden en geeft de bruid hun een voorzichtig handje.

P1130562_thumb1

2.  Machten van duisternis en licht

Licht

Munawwar (“lichtgevend”)—dat wordt mij telkens gezegd wanneer ik in Opper-Egypte word ontvangen. De strekking is: “Jij brengt licht in ons huis, in ons dorp, in ons leven.” In dit artikel geef ik impressies van een elfdaagse reis door het Nijldal, de wondere wereld van idyllische dorpjes en schitterend natuurschoon, gastvrijheid en geweerschoten, openluchtkerkdiensten en doordeweekse zondagsschool, ezels en motoren, en zelfs duivelsuitdrijving, hoewel dat omstreden is. Ik heb studenten, kandidaten en predikanten en hun gemeenten bezocht en heb geprobeerd dieper door te dringen in de cultuur, wijsheid en vroomheid der Opper-Egyptenaren. Ik heb ook gepoogd de impact van de revolutie te peilen: hoewel het proces tegen Mubarak terecht wordt geacht, ontbreekt de hoop op verbetering. Al met al lijkt het leven onder de zomerzon zorgenvrij, maar kent het Nijldal toch zijn duistere kanten.

Niettemin hoop ik stiekem dat u wanneer u dit artikel hebt gelezen “lichtgevend” zult zeggen. Vanzelfsprekend moet ik dan meteen de suggestie afwijzen dat ik zelf de lichtbrenger ben. Hoewel het mogelijk is op een welgemeend “munawwar” beleefd “bedankt” te zeggen, is het aardiger te antwoorden: “Dat is uw licht,” of: “Dat is jullie licht.” Een passende reactie richting een koptisch-orthodox christen is: “Dat is het licht van de Maagd,” en richting een moslim: “Dat is het licht van de Profeet.” Wie het echter ongepast vindt Maria of Mohammed te noemen maar toch religieus wil reageren, zegt: “Het is het licht van Christus.”

De duivel in de kerk?

P1130793_thumb1_thumb

P1130792_thumb6_thumbEen vrouw op leeftijd komt per week meermaals naar de kerk maar vertelt nu aan de kandidaat die de gemeente dient: “De duivel maakt mij de kerkgang welhaast onmogelijk.” “Wat doet hij dan?” vraagt de kandidaat. “Wanneer ik ’s avonds naar de kerk kom, zing ik mee, maar wanneer de preek begint, drukt hij mijn ogen dicht en val ik in slaap.” “Overdag, doet hij dat dan ook?” “Nee, overdag werk ik van vroeg tot laat hard in het huishouden. Hij valt me alleen ’s avonds lastig in de kerk.” “Eerlijk gezegd denk ik niet dat dit de duivel is,” antwoordt de kandidaat, “u wordt een dagje ouder en bent na een dag werken moe en dat voelt u in de kerk. Als u een uur rust neemt voordat u naar de kerk komt, zult u vanzelf weer beter kunnen luisteren.” (NB: de tekst gaat niet over één van de afgebeelde vrouwen.)

P1140441_thumb3_thumb

Duiveluitdrijving

Een ouderling klopt aan de bij de pastorie in gezelschap van een moslimfamilie: “Hier zijn een vader en een moeder en een tienerzoon en een broer van de vader,” zegt de ouderling tegen de jonge predikant, “ze hebben al op verschillende plaatsen hulp gezocht, maar steeds zonder resultaat. De zoon is bezeten en nu is de vraag of u de duivel uit kunt drijven.”

“Kom allemaal binnen en vertel eerst eens rustig het verhaal,” zegt de dominee. De vader neemt het woord: “Mijn zoon rent ’s avonds regelmatig rond tien uur opeens het huis uit het veld in. Na een paar uur komt hij terug zonder te vertellen wat hij heeft gedaan of waarom hij weg is gerend. Pas ben ik hem achterna gelopen en zag ik hem bevend zitten. Toen ik hem vroeg wat er was, begon hij hevig te schudden en schokken, maar zei hij niets. Er moet een satan in hem wonen.”

“Hebben jullie hem misschien slecht behandeld,” vraagt de predikant voorzichtig. “Nee, natuurlijk niet,” zegt de moeder, “hij is mijn lieveling.” “Hij is mijn trots,” roept de vader en de oom voegt toe: “Hij is voor mij als een eigen zoon.” Terwijl de volwassenen dit zeggen, kijkt de dominee naar de jongen en wanneer de oom spreekt, ziet hij angst in zijn ogen. Hij voelt dat hier wellicht de sleutel ligt en zegt: “Ik zou de jongen graag onder vier ogen spreken.”

“Wanneer is het begonnen dat je ’s avonds de deur uitrent,” vraagt hij wanneer ze alleen zijn. “Alweer een paar jaar geleden, toen ik nog klein was,” zegt de jongen, terwijl hij begint te bibberen. “Wat zei je vader er toen van?” “Die was er niet, want hij werkte in Koeweit.” De jongen begint onstuimig te schudden en de predikant vraagt zicht af of er misschien echt een duivel in hem zit. Maar hij besluit door te vragen: “En je oom, zorgde die dan voor je?” De jongen beeft slechts, maar de dominee moedigt hem aan: “Je kunt hier rustig spreken.” Uiteindelijk vertelt de jongen: “Mijn oom kwam ’s avonds vaak even naar de kamer waar mijn moeder en ik zaten en hij stuurde me dan weg, soms voor een boodschap, maar vaak ook door me uit te schelden en bang te maken, en dan rende ik het huis uit.” “En je moeder?” “Die zei niets. Ik weet niet of ze niet durfde of dat ze het met mijn oom eens was.” “Weet je vader dit?” “Nee, natuurlijk niet, mijn oom zou me doodslaan als ik hem erover vertelde.” “Ik wil toch met je vader praten.”

De predikant roept de vader erbij en vertelt wat hij te weten is gekomen. “Wat betreft je zoon: wees gerust, er huist echt geen duivel in hem, maar hij heeft wel hulp nodig: hier is het adres van een psycholoog.”

De psycholoog komt tot een zelfde conclusie als de dominee over wat er speelt en helpt de jongen zijn angsten te begrijpen en overwinnen. De predikant is blij dat hij niet heeft geprobeerd met een machtswoord de duivel uit de jongen te verdrijven: mogelijk had dat zijn gedrag beïnvloed, maar het eigenlijke probleem zou niet zijn aangepakt.

Naar de Maagd

P1130979_thumb[2]

Het is zes uur ’s avonds en achter in de presbyteriaanse (protestantse) kerk van een provinciestadje zit ik een flesje cola te drinken. Het liefst lag ik op een bed: of het de zon was of verkeerd voedsel of zomergriep, weet ik niet, maar ik voel me beroerd en bekaf, en heb er net twee uur reizen met drie tassen en twee overstappen van een dorpsdominee naar de student die in dit stadje dient opzitten. Mijn tijd hier zal echter zo kort zijn dat de student me de enige kans om mensen in de kerk te ontmoeten niet wil ontnemen (morgenochtend gaan we naar de Maagd en van daar zal ik zelf verder reizen). Er is nu voorin de kerk een gebedsbijeenkomst van zondagsschoolleiders en er zwermt een groep zondagsschoolkinderen in en rond de kerk. Zij hebben mij allemaal de hand geschud en zijn allerlei gesprekjes met mij begonnen, totdat de cola kwam en ik om vijf minuten rust vroeg om het flesje leeg te kunnen drinken.

De presbyteriaanse kerk is in de negentiende eeuw op initiatief van Amerikaanse zendelingen gebouwd. Het is een groot gebouw met een zeer ruim appartement voor de predikant, maar alles is nogal vervallen en de gemeente is verlopen. (De reden waarom de gemeente financieel niet geheel aan de grond zit, is, naar ik begrijp, gelegen in het feit dat een grootgrondbezitter lid is van de gemeente. Terwijl elders in het Nijldal elke familie een eigen stuk land bezit en bewerkt, kent men hier een traditie van grootgrondbezit en loonarbeid en tot vrij recent slavernij: sommige inwoners van het stadje weten nog dat hun grootvader slaaf was.)

P1130975_thumb[3]

Sinds twee jaar komt onze student hier echter in de weekenden en volgend jaar na zijn afstuderen hoopt hij samen met zijn aanstaande een kleiner maar moderner appartement als pastorie te betrekken. Hij heeft inmiddels al een reputatie als “predikant” opgebouwd. Onder zijn leiding is het kinderwerk tot bloei gekomen. Hij doet veel bezoekwerk onder koptisch-orthodoxe christenen die weinig contact hebben met hun eigen priester. Terwijl de dorpsdominee bij wie ik was om zijn onafhankelijkheid te bewaren geen voedsel aanneemt dat gemeenteleden komen brengen, pakt de student voedsel graag aan van koptisch-orthodoxe christenen omdat het een teken is dat ze hem als protestants predikant in spé voor vol aanzien.

De zondagse erediensten worden momenteel redelijk goed bezocht omdat ze samen met de apostolischen worden gehouden, die hun eigen kerk aan het renoveren zijn. Vanwege de leerverschillen ligt een fusie tussen presbyterianen en apostolischen niet voor de hand, maar nu worden in preken de gevoelige punten vermeden en spreken de apostolischen tijdelijk niet in tongen en klappen ze niet teveel in hun handen.

Overigens heeft de student onlangs een stout stukje uitgehaald: nadat hij alle predikanten in de regio had gebeld met het verzoek het avondmaal te komen bedienen en ze allen zich hadden geëxcuseerd, heeft hij zelf het avondmaal bediend. Hij weet dat dit tegen de regels is, maar is bereid zich te verantwoorden mocht hij officieel tot de orde worden geroepen.

P1130995_thumb[2]

Om tien uur ’s avonds sta ik tussen de platenspeler, de oude koffiemolen en het antieke serviesgoed in het privémuseum van de moeder van een zondagsschoolleidster. De dochter is koptisch-orthodox opgevoed, in de apostolische kerk tot geloof gekomen en sinds twee jaar actief in de presbyteriaanse kerk omdat daar het meest behoefte is aan haar gaven en talenten. Ze is pas drieëntwintig geworden, maar tot haar teleurstelling had niemand aan haar verjaardag gedacht, zelfs haar facebookvrienden niet. Die heeft ze overigens niet veel, want als eerbaar meisje mag ze van haar vader alleen facebookcontact hebben met familieleden en enkele heel goede vrienden. De mamma is een schat van een mens die de student graag bemoedert zolang hij nog niet getrouwd is: hij mag altijd komen eten en ze doet de was voor de presbyteriaanse kerk en zou het liefst ook de student zijn eigen kleding wassen. De ouders zijn overigens nog orthodox en de student respecteert dat: voor de maaltijd slaat hij eerst een kruisje voordat hij om een zegen vraagt en wanneer het tijd is om op te stappen slaat hij wederom een kruisje en bidt hij met zijn gezicht naar het oosten gericht. Dan blijkt dat ik toch een streepje voor heb op de student. Hij heeft het privémuseum alias de rommelkamer na al zijn bezoeken aan dit huis nog nooit gezien, maar nu ik er ben komen we de deur niet uit voordat ik alles heb bewonderd wat de moeder tevoorschijn haalt.

P1140018_thumb[2]

De volgende morgen zijn we om zeven uur, na twintig minuten wachten op laatkomers, al weer veertig minuten op weg naar de Maagd. “We”—dat zijn de chauffeur, de student en ik voorin een microbusje met achterin twaalf krappe passagiersplaatsen die vandaag door zestien personen worden gedeeld. Tien pond (€1,20) kost het uitstapje dat wordt georganiseerd door de presbyteriaanse kerk, hoewel alle deelnemers achterin orthodox zijn. Wanneer de koptisch-orthodoxe kerk een vergelijkbare bedevaart regelt, kost het soms wel veertig pond. Op deze wijze probeert de student mensen op betaalbare wijze te bieden wat voor hen belangrijk is, mede om hen in te winnen voor de presbyteriaanse kerk. Hij heeft me gewaarschuwd dat men onderweg wellicht Marialiederen gaat zingen, maar wat ik tot nu toe heb gehoord zijn slechts protestantse opwekkingsliederen.

P1140021_thumb[2]

“De Maagd”—dat is het klooster van de maagd Maria te Dronka, net buiten de stad Asyut. Het is gebouwd tegen een berghelling rond een grot waarin de heilige familie tijdens de vlucht naar Egypte enige tijd vertoefd zou hebben. Ik heb het eerder wel eens met een presbyteriaanse predikant bezocht en hoewel de ligging wel aardig is, vond ik het niet buitengewoon indrukwekkend. Egypte heeft mooiere kloosters en ik zou iets met Maria moeten hebben om deze plaats echt te kunnen waarderen. Nu viel mijn vorige bezoek buiten het seizoen en waren mijn begeleider en ik de enige bezoekers. Ditmaal is het hoogseizoen: de vijftiendaagse Mariavasten is gaande en dit is de tijd van de jaarlijkse bedevaart. Volgens mijn boekje komen er dan zo’n miljoen bezoekers en ik wil dat geloven.

P1140033_thumb[2]

Mijn bezoek deze ochtend wordt echter gedomineerd door darmkrampen waar ik u de details van zal besparen maar die uiteindelijk wel tot opluchting leiden. Dat men genezing vindt bij de Maagd past goed in het koptische volksgeloof, maar dat niet zozeer de gewijde ruimte van een kerk als wel een smerig toilet voor verademing zorgt, hangt mogelijk samen met mijn protestantse ketterij.

P1140068_thumb[2]

Dat ik als protestant een ketter ben, dat leidt geen twijfel voor de kloosterparkeerwachter: “Luther en Calvijn zijn achttiende-eeuwse nieuwlichters. Wij daarentegen houden vast aan de leer van de Schrift en de kerkvaders.” “Het Evangelie volgens Johannes zegt letterlijk dat de Geest van de Vader uitgaat en dus is het ongeoorloofd te zeggen dat de Geest ook van de Zoon uitgaat.” Mijn opmerkingen dat de zestiende-eeuwse reformatoren juist wilden terugkeren tot de Bijbel maar dat je dogmatische uitspraken niet aan één enkel vers ophangt overtuigen de man niet. Wanneer hij de voorspraak van de Maagd ter sprake brengt, merk ik op dat daar toch ook niets over in de Bijbel staat, maar het blijkt dat ik me vergis: “In Genesis 20 staat dat Abraham voor Abimelech zal bidden en op vergelijkbare wijze bidt de Maagd voor ons als wij haar daar om vragen.”

Ik merk dat de man mij helpt de koptisch-orthodoxe denkwijze enigszins te begrijpen en hoor graag meer, maar de student is deze verstokte kopt allang beu en kapt het gesprek af. De man kan alleen nog zeggen dat ik beslist eens orthodoxe boeken moet lezen, wat ik bij gelegenheid ook best wel eens wil doen—zelf zal hij niet een protestants boek inzien want hij heeft de waarheid al.

Rond het middaguur neem ik afscheid van de student en zijn medepelgrims: zij zullen nog een klooster bezoeken maar ik pak een taxi om naar de stad Asyut om een andere theologiestudent te bezoeken. Ik heb deze laatste student eerder bezocht maar weet niet meer exact waar hij woont en zijn telefoon is voortdurend in gesprek. Een straatnaam heeft hij me nooit gegeven en misschien is die er ook niet. De dag voor mijn vorige bezoek aan hem was ik in een dorp en wilde een ijverige agent weten naar wie ik op doorreis was. Hij was niet geïnteresseerd in het adres van de student maar vroeg: “Hoe heet hij? Wie is zijn vader? In welke wijk woont hij? En waar bidt hij?”—als je in Egypte weet waar iemand bidt (ter kerke of moskee gaat), is hij of zij altijd wel op te sporen.

P1140090_thumb[2]

Aan de rand van de wijk waar we moeten zijn, stopt de taxi. Het nummer van de student geeft nog steeds de ingesprektoon. De chauffeur wil na een kwartier wachten graag verder maar kan mij niet in de brandende zon op straat dumpen. “Zet mij anders af bij een koffiehuis of restaurant in de buurt,” stel ik voor. “Dat gaat niet,” zegt hij, “het is ramadan en alles is overdag dicht.” “Rijd dan toch maar op goed geluk de wijk in, misschien herken ik iets.” En inderdaad, al snel zie ik de schotelantennewinkel van vrienden van de student, die echter rond het middaguur gesloten is. “We zijn nu vlakbij,” zeg ik, terwijl ik nogmaals de ingesprektoon krijg. “Geef mij dat nummer eens,” zegt de chauffeur ten einde raad, en meteen krijgt hij de student aan de lijn, die vervolgens binnen één minuut aan komt lopen.

P1140156_thumb[2]

’s Avonds laat ben ik nogmaals bij de Maagd, nu niet in het klooster op de berghelling, maar op het feest in het dal. De vrienden van de schotelantennewinkel hebben de student en mij om elf uur achterop hun motoren meegenomen. “We gaan naar mooie meisjes fluiten en we gaan drinken,” werd me verteld. Nu wordt in het Arabisch het werkwoord “drinken” voor heel veel zaken gebruikt: koffie, thee, Pepsi, sigaretten, alcohol, drugs, maar vandaag zou het om de waterpijp gaan. Mij is verzocht niets aan de student zijn verloofde te vertellen en de student heeft beloofd niets tegen de rector van ons seminarie te zeggen over mijn aanwezigheid. Even heb ik geaarzeld, maar ik besefte dat dit dé kans is om een moelid, heiligenfeest, mee te maken. Ik heb al meermaals gelezen over islamitische en christelijke moelids en de belangrijke rol die ze in de Egyptische volkscultuur spelen—de moelid van de Maagd trekt zoals gezegd jaarlijks een miljoen bezoekers—, maar ben er nog nooit geweest.

P1140157_thumb[2]

P1140171_thumb[2]

Uiteindelijk blijkt alles heel braaf te zijn: we komen op een rustig terrasje terecht zonder jongedames die de aandacht trekken. Waterpijp wordt niet gerookt. Een enkeling vraagt om alcoholvrijbier maar dat is niet op voorraad en daarom drinken we uiteindelijk allemaal slechts een flesje cola. We lopen langs de botsautootjes, maar de vrienden vinden vijfenveertig cent voor vijf minuten te duur en het lijken mij ook meer modelletjes voor kinderen. De braderie is aardig: tussen de nootjes, het snoepgoed en het speelgoed staat ook een boekenkraam van het Bijbelgenootschap en op diverse plaatsen kun je kruisjes op je polsen en heiligenafbeeldingen op je armen laten tatoeëren. (Mij wordt echter ontraden dit te laten doen: bij een markttattoo kun je hepatitis-C cadeau krijgen.)

P1140179_thumb[2]

P1140183_thumb[2]

Goed twee uur zijn we weer thuis bij de student en twaalf uur later zijn we op weg naar de ouderlijke woning van één van de vrienden van de schotelantennezaak, waar we voor de lunch zijn uitgenodigd. Met z’n drieën op de motor laveren we door de steeds smaller wordende straten en steegjes totdat we precies voor de huisdeur stoppen.

P1140191_thumb[2]

De braafheid vannacht kwam voor mij niet helemaal als een verrassing: ik had de student vooraf zelf tegen zijn verloofde horen zeggen waar hij heen zou gaan. Toch heb ik nog een vraag aan de vriend: “Als ik er niet bij was geweest, hadden jullie dan wel waterpijp gerookt?” Hij antwoordt: “Nee, mijn longen zien nog zwart, maar ik ben echt gestopt met roken. En mijn maat is vrijwilliger in de kerk—die weet zich ook wel te gedragen.” En wat betreft de student: “Dat is een goede jongen die mensen bij God wil brengen. Hij zou wel graag een motorfiets hebben net als wij, maar als toekomstig predikant kan hij dat niet maken.”

P1050628_thumb[1]

Geweerschoten en gesprekken

1. Een student neemt mij meer naar het huis van zijn familie in het dorp waar hij oorspronkelijk vandaan komt. Het is avond en de mannen zitten samen met de oma op de binnenplaats. Ze zeggen dat ik gisteren had moeten komen: toen arriveerde de uitzet van de bruid van één van de jongens en de feestvreugde werd kracht bijgezet met geweerschoten. Een kogel beschadigde het balkon, maar dat mocht de pret niet drukken.

Toen de ooms van de student nog jong waren, wilden ze wapens meenemen naar het land als ze daar vanwege de oogstdrukte sliepen, maar opa verbood dat: “Wij vertrouwen op God, niet op geweren.” De student zei echter pas dat hij zich toch wel eens afvraagt of hij straks als predikant een wapen in huis mag/moet halen: “Als het geweld toeneemt en ik vrouw en kinderen heb, mag ik hen dan verdedigen?”

In Egypte is wapenbezit aan wettelijke bepalingen gebonden, die echter niet overal op dezelfde wijze worden gehandhaafd. In dit dorp hebben zich vroeger woeste taferelen voorgedaan en sindsdien kwam de politie altijd even kijken als er werd geschoten: ging het om een bruiloft, dan kneep men een oogje dicht—een dorpscultuur kun je niet uitroeien—, maar ging het om eerwraak, dan werden de daders hard aangepakt—dorpscultuur of niet, moord kun je niet tolereren. Sinds de revolutie komt de politie echter de deur niet meer uit voor een geweerschot.

Het familiegesprek gaat ook over een serieel-polygame dorpsmoslim: hij heeft steeds vier vrouwen en scheidt soms van één van hen om met een nieuwe vrouw zijn kwartet te completeren. Wat betreft zijn kinderen is hij de tel kwijt. Pas stond er één aan de deur en zei hij: “O, ben jij er ook eentje van mij.” Eén van de familieleden van de student merkt op: “Een christen doet zoiets niet. Die weet dat er in de Bijbel staat dat je eerst moet rekenen voordat je een toren bouwt en hij verwekt niet meer kinderen dan dat hij redelijkerwijs kan onderhouden en opvoeden.” (Voor de duidelijkheid: Egypte kent zeker ook kinderrijke christelijke gezinnen en monogame moslims die aan gezinsplanning doen.)

De kerkelijke situatie komt eveneens ter sprake: met lof wordt een oude predikant genoemd die er persoonlijk voor heeft gewaakt dat buitenlandse christelijke ontwikkelingsorganisaties in de classis Asyut van de presbyteriaanse kerk geen voet aan de grond hebben gekregen. In de classis Minya zijn ze met open armen ontvangen en hebben ze de kerk verpest. “Wat doen zulke organisaties dan?” vraag ik verbaasd. “Ze bieden kansarme jongeren een leerwerktraject om een ambacht onder de knie te krijgen,” is het antwoord, “maar ze maken hen ook vrijwilliger of lekeprediker in de kerk en laten hen allerlei onpresbyteriaanse zaken verkondigen, vooral in vacante gemeenten.” Het valt mij op hoe open men met mij over deze kwestie spreekt: ik ontvang meteen het vertrouwen dat ik niet zo’n ongewenste christelijke club vertegenwoordig.

P1140462_thumb1_thumb

2. De dienst in het dorp waar ik vanavond ben, is om goed zeven uur begonnen en na ruim een half uur van lofprijzing en gebeden hebben mijn vertaler en ik het woord gekregen. Wanneer ik bijna uitgesproken ben, staan opeens de jongelui van de achterste twee banken op en verlaten de kerk. Heb ik iets verkeerds gezegd? Of had ik mij moeten bekorten zodat de dienst ondanks de vertaling geen minuut langer duurde dan gebruikelijk? Misschien wel, en ik maak eerder mijzelf een verwijt dan de jongelui. Niettemin ben ik verbaasd: een preek te lang vinden is één ding, maar daadwerkelijk voor het einde opstappen is toch nog wat anders—zeker tegenover vreemdelingen houden Egyptenaren graag de goede schijn hoog.

Mij is echter iets ontgaan, zo blijkt achteraf. Als ik goed geluisterd had, had ik in de verte het geluid van een geweer gehoord. Enkele families leven in onmin met elkaar en houden met schoten in de lucht de verhoudingen scherp. Omstanders sluiten dan winkels en huizen want het kan opeens menens worden. En de jongelui weten dan hun aanwezigheid thuis op zo’n moment belangrijker is dan in de kerk.

Kerktorencrisis

Een crisissituatie heerst in één van de dorpen van Opper-Egypte. Opeens. Drie keer ben ik in dit dorp op bezoek geweest en steeds was alles pais en vree.

Tijdens mijn eerste bezoek anderhalf jaar geleden ontmoette ik de burgemeester en spraken we over de verhouding tussen moslims en christenen in Egypte. Het schietincident bij de kerk in Nag Hammadi lag toen nog vers in het geheugen maar hij kon zich niet voorstellen dat zoiets in zijn vreedzame dorp ooit zou gebeuren.

Tijdens mijn tweede bezoek ontmoette ik bij de wethouder een man met een geweer uit een gehucht dat niet deugt: de sfeer wordt daad bepaald door bloedwraak en telkens als de politie de boosdoeners op wilde pakken, gingen de mannen de bergen in, zodat ze het nu zelf maar uit moeten vechten. Maar in het dorp waar ik op bezoek was en nu over schrijf, gingen de mensen normaal met elkaar om. Tijdens de oudejaarsavondviering mocht ik de eerste waasa (preek of overdenking) houden in het nieuwe kerkgebouw.

Mijn derde bezoek was tien dagen geleden en het was een buitengewoon heugelijke dag: de dominee verloofde zich met een jonge vrouw uit het dorp en het werd gevierd in een overvolle kerk waarbij de mensen vanwege ruimtegebrek zelfs op straat zaten. Voorafgaand aan de plechtigheid dronk ik in het huis van de wethouder een colaatje met de burgemeester. Onder de gasten miste ik een predikant uit een paar dorpen verderop. “Er is daar geschoten,” werd me ingefluisterd, “en niemand gaat daar nu ’s avonds de deur uit.” Maar in het dorp waar ik was, was geen spoortje van spanning te bekennen.

De nieuwe kerk was in gebruik genomen, maar was nog niet echt af: er stond nog geen toren op en er was geen vergunning voor. De burgemeester schatte echter in dat gezien de goede verhoudingen in het dorp niemand moeilijk zou doen over het bouwen van een minaret” (in het Egyptisch Arabisch noemt men een kerktoren manara en een moskeetoren meestal ma’zana). Zodoende werd recent begonnen aan de bouw van een negen meter hoge toren en het werk vorderde snel. Van het weekend was de burgemeester echter buiten het dorp en begon de onrust. De afgelopen dagen dromden 250 moslimjongeren rond de kerk om de afbraak van de toren te eisen. De politie kwam erbij, de gouverneur werd geïnformeerd, een oude wijze predikant met goede contacten in moslimkringen werd ingeschakeld, en inmiddels is drie meter van de toren weer afgebroken.

De eerste geruchten die ik hoorde, gingen over schieten en een aanval op de kerk, maar daar is dit dorp toch te beheerst voor. Een enkeling dreigt echter dat morgen bij het vrijdaggebed de gehele toren afgebroken zal moeten zijn en dat anders …

Een leraar Arabisch met moslimbroederschapsympathie wond zich pas op over het Zwitserse minaretverbod en vergeleek de schijnvrijheid van het christelijke Westen met die van het islamitische Egypte waar kerken wel torens mogen hebben. Maar hij zei ook: nu ja, de islam vereist niet dat een moskee een minaret moet hebben, het kan ook zonder. Dat geldt gelukkig ook voor een kerk. Maar triest is deze kerktorencrisis wel. Zelfs zonder uitbarsting morgen zal de dorpssfeer voorlopig verpest zijn.

Zondagsschool op donderdag

Een week bestaat niet alleen uit zondagen. Bij het plannen van mijn reis door Opper-Egypte stuit ik op het probleem dat de studenten, kandidaten en predikanten mij bij voorkeur op zondag ontvangen in hun (stage)gemeente zodat ze mij het woord kunnen geven in de eredienst. Eén student zegt echter meteen: “Kom maar op donderdag. In het dorp waar ik stage loop, komt op zondag bijna niemand naar de dienst, maar op donderdag is er zondagsschool voor de kinderen en dan zit de kerk vol.”

P1140209_thumb2_thumb

Wanneer we donderdagavond zes uur bij het kerkgebouw aankomen, blijkt dat de student geen woord teveel heeft gesproken: alle banken zijn gevuld. Er worden liederen gezongen waarbij de kinderen staan en bewegingen maken en soms zelfs een rondje moeten draaien. Wanneer twee leiders in beestenpakken het woord hebben, is het echter bijna muisstil. De “dieren” leren de kinderen hun zonden en zorgen bij Jezus te brengen en knielen voor in de kerk aan de voet van het kruis om te bidden.

image_thumb7_thumb image_thumb6_thumb

De sketch is simpel en heeft een heldere boodschap. Kinderen moeten naar de weegschaal komen om te bepalen of ze zondaar of rechtvaardige zijn. “Ik heb nooit gerookt of gedronken,” zegt er één, maar de weegschaal geeft toch “zondaar” aan. “Ik ben domineesdochter,” zegt een ander, maar de wijzer slaat weer naar “zondaar” uit. Tot slot komt een jongetje schuilend achter Jezus en schiet de wijzer van de weegschaal naar “rechtvaardig.”

image_thumb14_thumb image_thumb13_thumb

Iedere donderdag is er zondagsschool, maar vandaag is het ook het slot van een tiendaags zomerprogramma. Elke dag zijn de kinderen gekomen en ze hebben ook een werkboekje met huiswerkopdrachten gekregen die ze steeds voor de volgende dag moesten maken. Als lokkertje kregen de kinderen telkens een bonnetje als ze op tijd waren. Vandaag worden al de inspanningen met prijzen en prijsjes beloond.

image_thumb21_thumb image_thumb20_thumb

Na afloop maak ik kennis met het zondagsschoolteam, dat blijkt te bestaan uit enkele jongedames uit het dorp zelf en verder uit leden van één van de kerken in Asyut. Gezien het geringe aantal volwassenen dat naar de kerkdiensten komt, is het buiten beeld dat de gemeente hier op korte termijn zelfstandig zal functioneren. Als de student die nu stage loopt in de toekomst hier voor vast komt, dan wordt hij waarschijnlijk missionair predikant bij de kerk in Asyut met als bijzondere opdracht gemeentevorming en -opbouw in het dorp.

P1140326_thumb2_thumb

Enkele teamleden klagen dat het bonnetjessysteem corruptiegevoelig is: sommige kinderen kwamen de afgelopen dagen op tijd, namen hun bonnetje in ontvangst en gingen meteen weer weg. Bonnetjes werden ook verruild, verzameld of afgepakt, zodat wie weinig kwam en matig meedeed, nu soms gezien zijn bonnetjestotaal toch een grote prijs moest krijgen. Ik heb meelij met de leiders, maar denk ook: Tom Sawyer heeft ruim een eeuw geleden al precies uit de doeken gedaan hoe je als kind zo’n zondagsschoolbonnetjes-systeem naar je hand kunt zetten. In Egypte blijft het echter lastig corrupte structuren effectief aan te pakken.

P1140281_thumb2_thumb

Toch kijkt het team terug op een geslaagde tiendaagse: het evangelie is gedeeld met heel veel kinderen, vaak uit randkerkelijke gezinnen en soms zelfs uit niet-christelijke families.

3 thoughts on “Opper-Egyptische zomer

  1. Pingback: Leeslijst Egypte – wjdw.nl

  2. Pingback: Joseph Zaki, mabruk! | wjdw.nl

  3. Pingback: Gebedspunt gewijzigd | wjdw.nl

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s