Theologie

Dag 17: Psalm 58 als gouden juweel en als stil gebed tegen onrecht

Matthew Henry (1662–1714) schrijft in zijn bekende Bijbelverklaring bij Psalm 58:

We hebben reden om te denken dat deze psalm verwijst naar de boosaardigheid van Saul en zijn handlangers jegens David omdat hij hetzelfde opschrift (“ʾal-tašḥēt”en “miktām van David”) draagt als de voorgaande en de volgende, die beide volgens hun opschrift betrekking hebben op die tijd van vervolging. Omdat God hem toen heeft bewaard (vandaar: ʾal-tašḥēt, “vernietig niet”), waren de psalmen die hij toen heeft geschreven kostbaar voor hem (vandaar: miktām, “Davids juwelen,” zoals Dr. Hammond vertaalt).[1]

Vorige week zagen we al de nodige interpretaties van ʾal-tašḥēt (“vernietig niet”) in het opschrift van Psalm 58: (1) het is een verwijzing naar (de melodie van) een ander lied; (2) het is een oproep om de psalm zelf niet te vernietigen; (3) het is een oproep aan Pilatus of van Pilatus aan de joodse leiders om het opschrift boven het kruis niet te veranderen; (4) het is een oproep van David aan zichzelf of zijn metgezel om Saul niet te doden en daarmee een oproep van God zelf om wraaklust te overwinnen. Matthew Henry vertegenwoordigt een vijfde uitlegtraditie die bijvoorbeeld ook in een kanttekening bij Psalm 57:1 in de Statenvertaling te vinden is, namelijk dat “Vernietig niet” een gebed van David tot God is als strekking: “Laat mij niet omkomen.” Ongetwijfeld zijn er door de eeuwen heen nog meer interpretaties voor ʾal-tašḥēt geboden, maar om niet te lang bij één woordje te blijven hangen, laten we die hier rusten.

Het woord miktām, de vierde term in het opschrift van Psalm 58, verdient echter nog wel onze nadere aandacht. Zoals we vorige week zagen, is dit woord in de Septuaginta in het Grieks vertaald als “ter inscriptie op een gedenksteen,” wat vervolgens in het Latijn “over de inscriptie van een opschrift” werd. Er bestaan echter ook tal van andere opvattingen over de betekenis van dit Hebreeuwse woord.[2] Omdat die opvattingen meestal niet specifiek op de uitleg van Psalm 58 worden betrokken, valt het buiten het doel van deze blogserie ze allemaal te bespreken en beperk ik me er tot twee: “gouden kleinood (juweel)” en “stil gebed.”

Gouden juweel

De joodse geleerde Abraham ibn Ezra (1089–ca. 1164) leidde miktām af van ketem, één van de Hebreeuwse woorden voor goud, en in zijn spoor hebben Luther, de Statenvertaling en de Herzienige Statenvertaling miktām als “gouden kleinood” vertaald. In de King James Version is miktām onvertaald weergegeven als michtam, vandaar dat Matthew Henry voor zijn Engelse publiek voor de vertaling “juweel” speciaal naar Hammond verwijst.[3]

De Statenvertalers lichten de term in een kanttekening bij het opschrift van Psalm 16 (waar de term voor het eerst voorkomt) nader toe: het Hebreeuwse woord duidt op “hetgeen van het beste en fijnste goud gemaakt is. Gelijken titel hebben de psalmen 56, 57, 58, 59, 60, vanwege hun bijzondere kostelijkheid en uitnemendheid.”[4] Wie de gewoonte heeft in het psalmboek na Psalm 56 (“Ik roem in God, ik prijs ’t onfeilbaar woord”) meteen door de bladeren naar Psalm 62 (“mijn ziel is immers stil tot God”) doet vanuit het perspectief van de Statenvertalers de tussenliggende psalmen en zichzelf te kort.

Hier zij wel bij opgemerkt dat het taalkundig gezien niet erg voor de hand ligt dat miktām van ketem (goud) is afgeleid.[5] Er lijkt tegenwoordig een zekere voorkeur te bestaan om, bij gebrek aan een betere oplossing, aan te nemen dat de Septuaginta op het juiste spoor zat en dat miktām zoiets als “inscriptie” betekent.[6]

Stil gebed

Niettemin vindt de laatste opvatting die we hier willen bespreken, dat miktām “stil gebed” betekent, ook een zekere aanhang. Zo is deze weergave bijvoorbeeld gekozen in de Nieuwe Bijbelvertaling.

Hoe komt men tot deze vertaling? In de negentiende eeuw kwam Ferdinand Hitzig door vergelijking met het Arabische werkwoord katama (“voor zich houden”) en het bijbehorende deelwoord maktūm (“geheim,” “verborgen”) op de gedachte dat een miktām een “tot dan toe onbekend gedicht” is dat pas voor het eerst bekendheid kreeg door de opname in het psalmboek.[7]

De Nederlandse oudtestamenticus Bernardus Dirk Eerdmans noemt dat het werkwoord zowel in het Assyrisch (Akkadisch) als in het Arabisch “bedekken,” “verbergen” betekent. Daaruit trekt hij, anders dan Sigmund Mowinckel, niet de conclusie dat het bij miktām om een gebed om het “bedekken” (dat is: verzoenen) van zonden gaat, omdat de inhoud van de psalmen met miktām in het opschrift daartoe geen aanleiding geeft. Hij wijst erop dat het werkwoord katâmu in het Assyrisch specifiek wordt gebruikt in de betekenis van “de lippen bedekken” (als teken van rouw). Als het Hebreeuwse miktām hier qua betekenis aan verwant is, dan zou het dus een “gefluisterd gebed” of “stil gebed” kunnen betekenen. Hij wijst erop dat dit goed past bij de opschriften van Psalm 56, 57 en 59, die situaties vermelden waarin David bezwaarlijk hardop kon bidden, bijvoorbeeld toen hij zich in de grot bevond waar ook Saul naar binnen kwam (Ps 57:1).[8]

Maar past deze opvatting van miktām ook bij Psalm 58. Dat is toch geen stil gebed? Vers 2 roept het de “hoge heren” toch juist luid toe: “Spreken jullie werkelijk recht?”? Psalm 58, zeker de eerste verzen, is toch juist een fel protest tegen het onrecht op deze wereld?

Tot nog toe ben ik geen literatuur tegengekomen die op deze vraag ingaat, hoe Psalm 58 een “stil gebed” kan zijn, en daarom maar enkele gedachten van mijzelf:

In vers 2a staat een Hebreeuws woord (ēlem) dat letterlijk “stilte” of “zwijgen” betekent, maar dat in het zinsverband eigenlijk niet in te passen is. Daarom wordt er meestal iets heel anders van gemaakt: in de Herziene Statenvertaling is het “raad van rechters” geworden en in de Nieuwe Bijbelvertaling “machtigen” (in een later blogbericht meer hierover). Wil men toch “stilte” vertalen, dan wordt een oplossing gezocht in de zin van “Waarom bent u stil terwijl u recht zou moeten spreken?”[9] of “Brengt u in uw spreken werkelijk het recht tot zwijgen?”[10] Maar zou het mogelijk zijn om “stilte” hier als een soort tussenwerpsel op te vatten in de zin van “ik houd me maar stil” – ik denk het maar ik zeg het niet hardop? Taalkundig ligt het niet heel direct voor de hand, maar elke andere oplossing voor ēlem kent ook zijn onzekerheden en problemen, en in elk geval zou dit goed passen bij de opvatting van miktām als stil gebed.

Zoals eerder al genoemd, Psalm 58 en in het bijzonder vers 2 is vaak betrokken op het proces tegen Jezus. Hij had het het Sanhedrin toen zeker hardop kunnen toeroepen: “Spreken jullie werkelijk recht?”, maar Hij zweeg stil.

Maar de psalm gaat uiteraard niet exclusief over het proces tegen Jezus. Er is op zoveel plaatsen en in zoveel tijden onrecht in deze wereld. In Nederland of België kun je je het moeilijk voorstellen, want daar leef je in een vrij land, maar in andere landen zou je soms wel hardop je stem willen verheffen tegen het onrecht, maar je weet dat het geen zin heeft: één woord dat verkeerd valt en je verdwijnt in het gevang of bent als buitenlands journalist niet langer welkom in een land. En dus schreeuw je het maar in stilte uit in een gebed.

Bovendien, soms voel je wel dat er iets wringt, maar je krijgt de vinger er niet achter. Je voelt dat de corruptie welig tiert en dat er van alles mis is, maar als je concrete personen, rechters, politici, zakenlieden, kerkleiders, etc. aan gaat wijzen, dan schiet je misschien net mis en beschuldig je misschien ten onrechte diegenen die juist zelfs onder druk met integriteit te werk willen gaan en hun verantwoordelijkheden kennen. Je kunt niet luid gaan schreeuwen over onrecht, maar je kunt ook niet doen alsof je neus bloed, en daarom bid je Psalm 58 maar als stil gebed.


[1] Matthew Henry, Matthew Henry’s Commentary on the Whole Bible (Peabody, MA: Hendrickson, 1994), 825; cf. Matthew Henry, Letterlijke en practicale verklaring van het Oude Testament, deel 4 (Kampen: Kok, 1915), 235, Delpher.

[2] Zie voor een interessant overzicht van opvattingen uit de tijd van de reformatie: Herman J. Selderhuis, Psalms 1–72, Reformation Commentary on Scripture: Old Testament 7 (Downers Grove, IL: IVP Academic, 2015), 119–20.

[3] Henry Hammond, A Paraphrase and Annotations upon the Books of the Psalms, Briefly Explaining the Difficulties Thereof (London: Printed by R. Norton, for Richard Davis Book-seller in Oxford, 1659), 77–79, 292, https://books.google.com/books?id=JzsT6Hl7CGEC.

[4] Statenvertaling.nl, https://statenvertaling.nl.

[5] Zo noemt Kraus deze afleiding “vrijwel onmogelijk”: Hans-Joachim Kraus, Psalms 1–59, trans. Hilton C. Oswald, A Continental Commentary (Minneapolis, MN: Fortress Press, 1993), 24. HALOT, s.v. מִכְתָּם, noemt “gouden kleinood” niet eens als een voorgestelde vertaling. Mitchell Dahood, Psalms I: 1–50, Anchor Bible (New York: Doubleday, 1966), 87, wil de mogelijkheid dat miktām is afgeleid van ketem wel openhouden, maar denkt dan aan een “goudgeletterde” inscriptie, volgens een voorstel van J. D. Michaelis uit de achttiende eeuw; DCH, s.v. מִכְתָּם, noemt dit ook als één van vijf mogelijkheden.

[6] Zie bijvoorbeeld HALOT, s.v. מִכְתָּם; Peter C. Craigie, Psalms 1–50, 2nd ed., Word Biblical Commentary 19 (Nashville, TN: Nelson, 2004), 153. Waltke verwijst met instemming naar Craigie: Bruce K. Waltke, James M. Houston, and Erika Moore, The Psalms as Christian Worship: A Historical Commentary (Grand Rapids, MI: Eerdmans, 2010), 327 n.87. De gebruikelijke route om de vertaling “ter inscriptie op een gedenksteen” van de Septuaginta aannemelijk te maken is dat men aanneemt dat miktām is afgeleid van een (verder onbekend) werkwoord met de medeklinkers k-t-m dat een synoniem of spellingsvariant zou zijn van het bekende werkwoord k-t-b (“schrijven”); miktāb (“geschrift”) in het opschrift van het gebed van Hizkia in Jesaja 38:9 zou dan een variant zijn van miktām. Kraus volgt een andere route: hij neemt een werkwoord k-t-m aan met “onuitwisbaar zijn” als basisbetekenis (waarvan dan ook niktām in Jeremia 2:22 is afgeleid), waardoor miktām is op te vatten als “in steen te zetten” of “in steen gezet.” Kraus, Psalms 1–59, 25.

[7] Ferdinand Hitzig, Die Psalmen, deel 1 (Leipzig: C. F. Winter, 1963), 80 n.a., https://archive.org/details/bub_gb_g4BAAAAAYAAJ/; cf. Kraus, Psalms 1–59, 24.

[8] Bernardus Dirk Eerdmans, The Hebrew Book of Psalms (Leiden: Brill 1947), 75–76. Kraus en DCH, s.v. מִכְתָּם III, verwijzen ook naar een opstel van Raymond Tournay uit 1957 voor de opvatting dat miktām stil gebed betekent, maar dit heb ik nog niet kunnen raadplegen.

[9] Zo ongeveer Luther.

[10] Zo Hossfeld.

One thought on “Dag 17: Psalm 58 als gouden juweel en als stil gebed tegen onrecht

  1. Willem Jan,

    Zojuist bovenstaande blog van je gelezen. Wat lees ik dan de Bijbel vaak oppervlakkig en wat laat je op deze manier zo’n Psalm tot leven komen en dat vertalen kiezen is. Ik lees ze niet allemaal maar toch even een keer een reactie. Ik

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.