English/Theology

Herman Bavinck on Traveling and the Theology of Nature

P1340312.jpg

Summer 1900, the Reformed theologian Herman Bavinck (1854–1921) wrote a short article on traveling, which included reflections on the theology of nature. The article was originally published as: Herman Bavinck, “Op reis” [Traveling], De Bazuin [The trumpet] 48, no 35 (August 31, 1900), available in Delpher. In 1900, Bavinck was the editor in chief of this weekly that was published by the Theological School in Kampen. Below I’ll first give my English translation of Bavinck’s article and then the Dutch original.

Traveling

[The Gift of Vacation]

One of the advantages of mental effort over physical labor is that one gets a shorter or longer break from it a few times per year.

Being allowed to study, as Dr. Kuyper once beautifully stated in an address to students, is such an invaluable privilege; and going out from the slavish life of society into the tent of scholarship is such a gracious providence from God.

Similarly, the time of relaxation that regularly replaces the labor of the mind is a rich blessing and a precious gift coming down from the Father of lights [cf. Jam 1:17]. The heart opens up and the breast widens, the eye clears up and the forehead de-wrinkles, when one is allowed to put one’s work aside for some time and to enjoy freely, to one’s heart’s content, the glory that God’s rich creation offers to us.

Change in itself is a blessing since it breaks the monotony of work, gives rhythm to the course of life, and provides new desire and fresh strength for taking up one’s work again.

[The Curses and Blessings of Traveling]

But it becomes even richer if it offers us the opportunity to imbibe the wealth that God has prepared in the works of nature and of art for human beings who are toiling by the sweat of their face.

Through the impressive expansion and improvement of the means of transportation, going out and travelling have more and more been married to the time of rest.

Certainly, this has an unpleasant side. On the way one has to do without many things that one would not like to miss at home. Travelling has not become more charming and distinguished now that everybody seems to feel obliged to his class and position to escape from city and home as soon as the vacation begins.

The full trains, the busy hotels, and the strolling, crowding museum visitors who are watching at command are a distraction and disturbance and bring down one’s cheerfulness and wipe away one’s memories.

Nevertheless, travelling remains a delight and a rich pleasure. How charming is it to wander to one’s own desire and by free choice on mountains and through valleys and to witness the glory that God has spread over his works or to be spectators of the works of art and ingenuity that have been brought about by human beings created in God’s image.

[The Beauty of the Low Countries and of Mountain Areas]

For sure, even the Netherlands are beautiful. Whoever despises our country is not capable of enjoying with an open mind and a childlike gratitude the great creations that nature displays in other countries. The wide horizon, the laughing leas, the grazing flocks, the beautiful skies, the graphic clouds, the mixture of tones and colors, the plays of light and dark – where did one see them more beautifully than within the borders of the Netherlands?

But again completely different impressions are aroused in the soul when the fresh mountain air plays around us and our eyes rejoice in the view of steep rocks and deep abysses, of proud mountains and snow-capped crests, of wild mountain torrents and foaming falls, of a rugged or charming but always rich, mighty, majestic nature!

[The Theology of Nature]

How does one then appreciate, even better than before, the language of Psalms and Prophets and understand the glorious poetry of nature in the Bible?

There are no people who have felt the life of nature so deeply and have sung of it so richly as the poets among the people of Israel. For everything spoke to them about God. The heavens declare his glory, the firmament his handiwork [cf. Ps 19:1]. Light is his garment, heaven his curtain, the clouds his chariot. He walks on the wings of the wind. His breath creates and renews the ground [cf. Ps 104:2,3,30]; his steps drop fatness [cf. Ps 65:11]. The mountains are an image for the steadfastness of his righteousness, the abysses for the depth of his judgements; the height of the heavens and the clouds is a similitude for the greatness of his steadfast love and faithfulness [cf. Ps 36:5,6].

It has been stated correctly that Christianity is the mother of the newer natural sciences. The view of nature that Scripture offers, is the only soil from which the plant of natural sciences could flourish in due course.

For the more the natural phenomena, like in Paganism, were divinized and understood as bearers of the Deity, the more scientific research became impossible since it would appear to be sacrilege and intended to destroy the Deity.

But Scripture differentiates between God and the world, sets the Creator of everything free from the interconnectedness of nature and puts him high above it. In this way, the study of nature is no longer an assault on the Deity.

In this way, Scripture also sets humankind free from nature. For the believer nature is no longer an object of worship and fear. While he bows down in deep humility before God and is fully dependent on him, he has the calling to dominate the earth and to subdue all things to himself [cf. Gen 1:26,28].

The Christian tastes the richest, deepest enjoyment of nature since he sees in it the work of the Father.

[Homesickness]

And full of homesickness he looks forward with the whole groaning creation [cf. Rom 8:22] to the new earth, which glory must be indescribable if this present curse-laden earth is already so beautiful.

Op reis

Geestes-inspanning heeft boven lichaamsarbeid onder meer ook dit voor, dat er enkele malen in het jaar een kortere of langere rusttijd voor aanbreekt.

Te mogen studeeren – heeft Dr. Kuyper eens schoon in eene toespraak tot de studenten gezegd – is zulk een onschatbaar voorrecht; en uit het slaafsche leven der maatschappij in de tent der wetenschap te mogen ingaan, zulk eene genadige beschikking Gods.

En evenzoo is de tijd van ontspanning, die telkens weer den arbeid des geestes vervangt, een rijke zegen en eene kostelijke gave, die afdaalt van den Vader der lichten. Het hart gaat open en de borst verruimt, het oog verheldert en het voorhoofd ontrimpelt zich, als men voor een tijd den arbeid ter zijde zetten en vrij, naar hartelust genieten mag van de heerlijkheid, welke Gods rijke schepping ons biedt.

De afwisseling is op zichzelve reeds een zegen, omdat zij de eentonigheid van den arbeid breekt, rhythmus brengt in den gang van het leven en nieuwen lust en frissche kracht voor de hervatting van den arbeid verleent.

Maar zij wordt te rijker, als zij ons gelegenheid schenkt, om in volle vrijheid de weelde in te drinken, welke God in werken van natuur en van kunst voor den in het zweet zijns aanschijns zwoegenden mensch heeft bereid.

Door de verbazende uitbreiding en verbetering van de middelen van verkeer is aan den rusttijd hoe langer hoe meer het uitgaan en reizen gehuwd.

Ook dit heeft zeker zijne onaangename zijde. Op reis moet men veel ontberen, wat men thuis niet gaarne missen zou. Het reizen wordt er met bekoorlijker en niet deftiger op, nu iedereen meent aan zijn stand en positie verplicht te zijn, om, zoodra de vacantie aanbreekt, huis en stad te ontvluchten.

Er is in de volle treinen, in de drukke hotels, in de drentelende musea-bezoekers, in de op commando kijkende en elkaar verdringende massa’s veel, dat afleidt en verstrooit, de opgewektheid neerslaat en de indrukken uitwischt.

Maar toch, reizen blijft een lust en eene rijke genieting. Welk eene bekoring ligt erin, om naar eigen lust en keuze over berg en door dal te mogen dwalen en getuigen te zijn van de heerlijkheid, welke God over zijne werken heeft verspreid, of aanschouwers te wezen van de werken van kunst en vernuft, tot stand gebracht door den mensch, die naar Gods beeld is gemaakt!

O zeker, ook Nederland is schoon. Wie het veracht, is niet geschikt, om onbevangen en kinderlijk dankbaar te genieten van de grootsche scheppingen, die de natuur in andere landen te aanschouwen geeft. De breede horizon, de ruime gezichtskring, de lachende landouwen, de grazende kudden, de prachtige luchten, de teekenachtige wolken, de mengeling van tinten en kleuren, de spelingen van licht en donker — wie zag ze ooit schooner dan binnen de grenzen van Neêrlands erve?

Maar hoe worden toch weer gansch andere indrukken in de ziel gewekt, als de frissche berglucht ons omspeelt en het oog zich verlustigen mag in den aanblik van steile rotsen en diepe afgronden, van trotsche bergen en sneeuwbedekte kruinen, van wilde bergstroomen en schuimende watervallen, van eene woeste of liefelijke, maar altijd van eene rijke, machtige, majestueuse natuur!

Hoe leert men dan nog beter dan voorheen de taal van Psalmen en Profeten waardeeren en de heerlijke natuurpoëzie van den Bijbel verstaan?

Daar is geen volk, dat het leven der natuur zoo diep gevoeld, zoo rijk bezongen heeft als de dichters onder het volk van Israël. Want alles sprak hun van God. De hemelen vertellen zijne eer, het uitspansel zijner handen werk. Het licht is zijn kleed, de hemel zijn gordijn, de wolken zijn wagen. Hij wandelt op de vleugelen des winds. Zijn adem schept en vernieuwt het aardrijk; zijne voetstappen druipen van vettigheid. De bergen zijn een beeld van de vastheid zijner gerechtigheid, de afgronden van de diepte zijner oordeelen, de hoogte der hemelen en der wolken eene gelijkenis van de grootte zijner goedertierenheid en waarheid.

Er is terecht gezegd, dat het Christendom de moeder der nieuwere natuurwetenschap is. De beschouwing van de natuur, gelijk de Schrift die geeft, is de bodem, waaruit de plant der natuurwetenschap te harer tijd alleen opbloeien kon.

Hoe meer toch de natuurverschijnselen, gelijk in het Heidendom, vergood en als dragers der Godheid opgevat werden, des te onmogelijker werd het wetenschappelijk onderzoek, dat dan immers het karakter van heiligschennis ging dragen en het mysterie der Godheid scheen te willen vernietigen.

Maar de Schrift onderscheidt God en wereld, maakt den Schepper aller dingen uit den natuur-samenhang los en plaatst Hem hoog daarboven. En zoo is natuuronderzoek geen aanranding der Godheid meer.

En tegelijk maakt de Schrift daarmede den mensch vrij van de natuur. Voor den geloovige is deze geen voorwerp van aanbidding en vreeze meer. Terwijl hij in diepen ootmoed voor God zich buigt en van Hem volstrekt afhankelijk is, heeft hij juist de roeping, om de aarde te beheerschen en alle dingen zich te onderwerpen.

De Christen smaakt het rijkste, diepste genot der natuur, wijl hij in haar het werk ziet van zijn Vader.

En vol heimwee, ziet hij met heel het zuchtend schepsel naar de nieuwe aarde uit, wier heerlijkheid wel onbeschrijfelijk moet zijn, als deze aarde reeds zoo schoon is, die toch met den vloek is beladen.

Photo: Weijpoortsemolen in the Green Heart of Holland.

 

 

2 thoughts on “Herman Bavinck on Traveling and the Theology of Nature

  1. Pingback: Wat is het geslacht van God – Questiontime – Vragenuurtje

  2. Pingback: Wetenschap: God of afgod 1 Wat zijn wetenschap en Bijbel en hun raakvlakken | Stepping Toes

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s